Opmerkingen
Lijsbeth Willems was blijkbaar aktief in de reformatie of te wel de ketterse leer en week
vermoedelijk na 28 maart 1568 uit naar Emden in Duitsland.
In het testament van 28 maart 1568 bepaalden Willem Jansz. (van der Codden) en Maritgen
Jansdr. "om sonderlinge saecken ende redenen hemluijden daer toe bewegende" dat hun
dochter Lijsbeth voor haar kindsgedeelte uit de erfenis zal genieten een levenslange lijftocht.
Als Lijsbeth vóór haar man zou overlijden bleef die levenslang in het genot van de lijftocht. De
eigendom van de goederen uit dit kindsgedeelte zal komen aan de kinderen van Lijsbeth. Het
gedeelte van een gestorven kind valt toe aan de overige kinderen.
Met andere woorden:
Lijsbeth zal deze goederen niet in eigendom ontvangen, maar er met haar man levenslang het
vruchtgebruik van genieten. Lijsbeth en Quierijn verklaarden dat zij met deze regeling akkoord gingen.
Deze afwijkende bepaling in het testament wordt begrijpelijk als we mogen aannemen dat
Lijsbeth de met vervolging bedreigde dochter was, die naar Emden is uitgeweken. De
bezittingen van ballingen werden geconfisceerd. De "ketterjacht" werd in 1568 hevig.
Op de dag na het opmaken van het testament gaf de Leidse vroedschap bevel dat alle ministers
(predikanten), consistorialen (kerkeraadsleden), beeldbrekers en kerkrovers bij het gerecht
moesten worden aangebracht.
Door de getroffen beschikking bleven de aan Lijsbeth toegevallen erfgoederen uit handen van de justitie, als zij op de vlucht ging.
Quierijn Fransz. werd namens zijn vrouw tussen 1567 en 1573 driemaal voor de Raad van
Beroerte gedagvaard en veroordeeld.
Lijsbeth Willems was een tante van de gebroeders Van der Codde, de "stichters" van de
Rijnsburger Collegianten.