Opmerkingen
Jan werd geboren op 5 maart 1902 om 04.00 uur. De doopgetuigen waren IJsbrand v Buuren en Geertr. M. H. Nijpel. Op de van Manderslootstraat in het toenmalige Aarlanderveen bracht hij zijn jeugd door. Op 27 oktober 1917 vertrok Jan naar Oudenbosch, naar de kostschool van St.Louis om zich in het boekhouden te bekwamen. Bovendien achtte men het raadzaam om Jan \"weg te halen\" onder de hoede van Hein van Frankfoort , de trouwe dienstbode van zijn moeder en zus van Kees van Frankfoort de meesterknecht van zijn vader. Omdat zijn moeder door zakelijke beslommeringen volledig in beslag werd genomen beschouwde Jan de dienstbode Hein als een welkome waarneemster en heeft hij zich toen als jongste van de familie lekker laten verwennen. Dat Jan echter in zijn jonge jaren extra verzorging nodig had vanwege zijn zwakke gezondheid; naar later bleek, hij had aanleg voor een chronische astmatische bronchitis (nu COPD); moge blijken uit de door hemzelf veel gedane uitspraak: \"het was maar een min ventje; het is geen blijvertje\". Helaas ook op de kostschool st. Louis heeft Jan zijn voorkeur voor de broodmaaltijd niet kunnen afleren. Jan bleef de warme maaltijden verafschuwen.
Het was in die tijd nog heel gebruikelijk om zo nodig een lel uit te delen aan die student in de refter die daar vanwege \"wangedrag\" om vroeg. Zo ook heeft een goed oppassende Broeder Jan een dergelijke lel bezorgd, waardoor zijn gehoor in zijn verdere leven voor de helft was gereduceerd. In latere jaren heeft Jan de betreffende \"goed oppassende\" Broeder in het gezelschap van een \"dame van zekere allure\" in Antwerpen nog eens ontmoet.
Het is de geschiedschrijver niet geheel duidelijk of Jan reeds in deze periode (1917-1920) zijn latere vrouw Aloysia Catharina Johanna Meijers heeft ontmoet. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat hij op onderzoek is uitgegaan in het naburige Stampersgat , waar een broer van de hem bekende vrijbuiter Harry Meijers (metselaar) een bakkerij, café, restaurant en hotellerie had en waar Aloysia (Wies) in het café van haar vader ook al meehielp voor de gasten. ( zie Elisabeth Theresia oudste dochter van Gerit Stekelenburg Ponsioen, V, pag 10) Wellicht heeft bovengenoemd pak slaag hier nog iets mee te maken.
Na het behalen van het diploma Boekhouden kwam Jan op 20 juli 1920 weer terug in Alphen aan den Rijn en begon met werken in de zaak van zijn vader samen met zijn oudste broer IJs en zus Marie, die zich met de verkoop bezig hield, als derde representant van de derde generatie firma Ponsioen.
Op 1 juli 1921 werd bij notariële acte de firma onder naam \"Ponsioen & Zn\" met als firmanten J.H.D. Ponsioen en C.Y. Ponsioen gesticht. In de zaak kreeg hij eerst een opleiding tot elektricien. Jan hield zich binnen het bedrijf met van alles bezig. Zijn voornaamste taak was het voeren van de boekhouding, maar ook het maken van een bestek voor grote werken, het uitvoeren van montage voor elektrische installaties en centrale verwarming behoorden tot zijn werkterrein. Als er mankracht tekort was kreeg het werk voor de klanten voorrang op de boekhouding, echter Jan bleef zich richten op de boekhouding.
Alhoewel de winsten in de jaren 1922 tot en met 1930 niet slecht waren, blijken de opnamen door de beide firmanten uit de firma aanzienlijk te zijn. Bij het overlijden van de vader van Jan, op 28 jan1931, blijkt het eigen vermogen van de beide firmanten te zijn teruggelopen naar een derde van het begin eigen vermogen. Het was dus al moeilijk om in deze vette jaren voorafgaande aan de crisis van de dertiger jaren \\\\\\\"de benodigde nering op de tering\\\\\\\" af te stemmen. Daartoe werd medio dertiger jaren nog gestart met het opzetten van een filiaal in lampen, verlichtingsartikelen en armaturen vooral voor huishoudelijk gebruik. Helaas de crisis heeft hier roet in het eten gegooid. Gezien de aanhoudende malaise heeft Jan zich moeten toeleggen op andere verdiensten . In de avonduren heeft hij zich gewijd aan het bijhouden van de boekhouding van de parochie: de kerk met bijbehorende scholen en het st. Josephpension. Na verloop van tijd werden deze activiteiten te veel omvattend en moest Jan zich volledig wijden aan de administratie van de kerk en behoefde hij niet meer te werken voor de firma, hetgeen toen ook een welkome lastenverlichting voor de firma betekende.
In de beginperiode van het actieve leven van Jan wordt zijn liefde voor het roken van sigaretten verder ontwikkeld. In deze tijd ging zijn voorkeur vooral uit naar Egyptische merken, waarvan \\\\\\\"Ed Laurens en Dubec\\\\\\\" er een paar zijn. Ook toen al was het mogelijk om punten te verdienen op de aankoop van een pakje, om zodoende te sparen voor een klokje / schemerlamp combinatie of voor rookstellen al dan niet op een voet. Alles in de \\\\\\\"Art Deco\\\\\\\" stijl, zaken die nu erg gewild zijn. Om snel zijn cadeaux te krijgen kocht Jan dan ook vele tienduizenden sigaretten tegelijk. Bij hem thuis en vooral bij zijn zussen kwam je vele interessante cadeaux tegen ! Het was tevens de tijd dat Jan in Alphen weer een hechte vriendenkring opbouwde; enkele namen die wij nog herinneren zijn de gebroeders Scheerder, Jollie, Wininghoff en Allart. Het lag voor de hand dat de club zijn sociëteit hield bij hotel Toor van neef Cees de zoon van de dan reeds overleden tante Elisabeth Ponsioen (1841 - 1891). Er werd veel gebiljart en ook gebruik gemaakt van de toen al aanwezige privé tennisbaan. Uit de spaarzame foto\\\\\\\'s die uit die tijd bewaard zijn gebleven, moet het een gezellige club zijn geweest. Later over de rol van hotel Toor meer.
In de 1941 werd Jan dan benoemd tot administrateur-stoker van de kerk, de scholen en het St. Josephpension. Dat was in de tijd, dat de sociaal bewogen Deken de Korte leiding gaf aan de parochie. In de winterperiode moest Jan \\\\\\\'s morgens in alle vroegte tussen 6 en 9 uur eerst de ketels vande centrale verwarmingen stoken voor aleer hij met zijn administratieve werkzaamheden kon beginnen, daarbij rekening houdend, dat de ketels in de loop van de dag ook nog verzorging nodig hadden en ereen laatste inspectie in de avonduren moest worden uitgevoerd. Bij strenge kou zijn door hem vele kruiwagens kolen (antraciet 4) zo dagelijks op de vuurbedden gegooid. Bij mijn weten heeft deze bizarre combinatie van functies tot het einde van de oorlog geduurd en kon Jan zich medio 1945 volledig wijden aan de administratie. Voor Jan met zijn zwakke gezondheid was dit een gezonde ontwikkeling.
De ervaringen, die Jan opdeed tijdens het stoken, zijn voor de opvoeding van zijn dochters later nog wel van belang geweest. Zou er al sprake zijn geweest van enige roeping bij zijn dochters, Jan zal dat zeker niet hebben gepropageerd. Enige aanleiding daartoe heeft er zeker wel bestaan in de traditie van de beide families Ponsioen en Meijers. Hierbij te denken aan de invloed van de zeer gewaardeerde doch toch wel als enigszins eigenzinnig bekend staande Tante Wies en de heeroom en de heerneef bij de Meijers. Men moet weten dat ketels van een kolen gestookte Centrale Verwarming altijd in de kelder van een gebouw wordt geplaatst, in het st. Josephgesticht onder de centrale keuken. De huishouding van het pension werd verzorgd door religieuze nonnen van de orde JMJ. Het gekissebis, het gekrakeel, de onderlinge haat en nijver in de keuken waren nu niet bepaald stichtend !
Jan is 20 jan 1921 inschreven voor de militie voor de lichting van het jaar 1922 onder nummer 107. Op 22 maart 1921 is de aanvraag voor vrijstelling wegens broederdienst aanvaard, welke aanvraag op 28april in het gemeentegebouw in Leiden, Breestraat 119 is behandeld met de uitspraak :\\\\\\\"Broederdienst\\\\\\\" Op 02 december 1921 is Jan ingeschreven in de \\\\\\\"Landstorm\\\\\\\" (ongewapenden) onder volgnummer 13 register model 1. De Landstorm zal wel de voorloper geweest zijn van de latere Bescherming Burgerbevolking. Uit al deze documenten blijkt, dat hij niet is afgekeurd wegens een slecht gehoor.
Jan leerde zijn vrouw Aloysia Catharina Johanna Meijers ( Wies) kennen tijdens een familiegebeurtenis bij Hotel Toor. Jan was vaste gast bij neef Kees en Wies kwam op bezoek bij haar oom Harry. Aloysia Catharina Johanna Meijers werd geboren op 7 sept. 1907 in Stampersgat gemeente Oud en Nieuw Gastel (N.B.) De ouders van Wies zijn al zeer vroeg gestorven, zodat Wies voordat zij Jan leerde kennen al heeft gewoond en gewerkt in Franeker (in een hoeden atelier), in IJmuiden (kindermeisje bij een Ansjovisser) en in Haarlem (winkelmeisje bij De Gruyter, kruidenier). Daarna woonde zij in 1931 in Haarlem, bij haar latere schoonzus Aggie (Agnes Alida). Daar werkte zij in de huishouding. In 1932 ging zij naar Alphen om de volledige zorg voor het gezin van IJs (Cornelis IJ Ponsioen) en Sien (Clazina M. Noordman) op zich te nemen. Dit was na de geboorte van Jose (Josepha M.M.), toen Sien niet meer thuis kon zijn en langdurig verpleegd moest worden vanwege zware depressieve klachten. Met veel waardering wordt nu nog gesproken over het liefdevolle doch straffe regiem van orde en regelmaat, dat (tante) Wies in deze periode voerde. In 1935 ging Wies enige tijd terug naar Haarlem naar Aggie om haar weer te helpen, toen zij ernstig ziek was. Kort daarna keerde zij terug naar Alphen om met Jan te trouwen.
Jan en Wies trouwden voor de wet op 29 mei 1935 in Alphen aan de Rijn. Het kerkelijk huwelijk werd gesloten op 5 juni 1935 in de st. Bonifatius kerk aldaar. Trouwfoto\\\\\\\'s van de feestdag zelf zijn er niet, wel wat surrogaat opnamen van het bruidspaar na veertien dagen, omdat het ontwikkelen van de film van de originele opnamen was mislukt. Zij gingen wonen boven het past opgezette filiaal in de Prins Hendrikstraat 184r . Hier werd hun dochter Mieke (Anna Maria Huberta) geboren. Op 1 juni 1937 huurden zij een woning op het Toussaintplein 6 in Alphen aan de Rijn voor de officiële huur van f 330,= per jaar. Omdat er in die tijd een overvloed aan woonruimte was, kreeg Wies hierop nog een reductie, omdat zij een \\\\\\\"medehuurder de fam. Verruyt meebracht\\\\\\\" voor perceel nr. 4. Van een mogelijke koop van de vier panden (4 t/m10) voor f 8.000,= heeft Jan destijds afgezien omdat de gulden juist sterk was gedevalueerd. Jan heeft verder altijd op het plein gewoond.
In de zomer van 1940 werd op initiatief van Deken de Korte in Alphen aan den Rijn een \\\\\\\"Comité voor Katholieke Actie\\\\\\\" opgericht. Jan was een van de mede oprichters. De \\\\\\\"Katholieke Actie\\\\\\\" was toen een moderne vorm van apostolaat, die tot doel had de leken te laten deelnemen aan het hiërarchisch apostolaat in de Kerk. De bijeenkomsten werd bezocht door een kleine groep ontwikkelde katholieken. Het programma luidde: \\\\\\\"Een geestelijke lezing , dogmatische uiteenzetting, bespreking van voorafgaande onderwerpen, literair verzorgde beschouwing van een bekende dichter of schrijver en een meditatiedaarover in de kerk.\\\\\\\" Na 1950 werd er nog maar weinig over de Katholieke Actie gehoord.
Na een ziekbed, dat enkele jaren heeft geduurd, overleed Jan op 63 jarige leeftijd op 28 maart 1965 aan de gevolgen van zijn Chronische Astmatische Bronchitis. Hij werd op 31 maart begraven op het kerkhof bij de St Bonifatius kerk. Het vele roken gevoegd bij zijn zwakke gezondheid hebben zeker bijgedragen aan een vroegtijdig overlijden, evenwel het is hem vergeven, de tijd met twee wereldoorlogen en een crisis periode was nu niet direct eenvoudig om in te leven.
In 1984 verhuisde Wies naar het verzorgingshuis St. Joseph in Alphen aan den Rijn. Zij overleed in de nacht van vrijdag 22 mei op zaterdag 23 mei 1987 in het genoemde verzorgingshuis en werd begraven op 27 mei op de begraafplaats aan de verlengde Aarkade te Alphen aan den Rijn.
Jan en Wies kregen zes kinderen, hun derde kind was bij de geboorte helaas reeds overleden. De naam van hun vierde kind (Theodora) doet daar nog aan denken.